Afwegingen bij het bepalen van de keuze voor het transitie-ftk

Als onderdeel van de Wet Toekomst Pensioenen moet het bestuur van een pensioenfonds besluiten of het fonds gebruik wil maken van het transitie-ftk. Een pensioenfonds mag hiervan alleen gebruikmaken als invaren van de opgebouwde pensioenaanspraken- en uitkeringen niet op voorhand wordt uitgesloten.

Op het eerste gezicht lijkt kiezen voor het transitie-ftk logisch, omdat eerder geïndexeerd kan en mag worden. Maar deze keuze kan gevolgen hebben voor de verdeling van het vermogen bij het invaren van de pensioenen. Ook op dat punt moet het bestuur de evenwichtigheid goed beoordelen.

Zo is het nu geregeld

Op grond van de huidige wet- en regelgeving moet het vermogen van het pensioenfonds groter of gelijk zijn aan het vereist vermogen om voldoende financiële middelen te bezitten. Als de beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds lager is dan het vereist vermogen is sprake van een tekortsituatie. Het pensioenfonds moet dan een herstelplan bij de Nederlandsche Bank (DNB) indienen. Met dit herstelplan moet het pensioenfonds aantonen dat het vermogen binnen tien jaar weer op het benodigde niveau is.

Daarnaast geldt dat het bestuur van het pensioenfonds pas mag besluiten tot het verhogen (indexeren) van de pensioenaanspraken en –uitkeringen van de (gewezen en gepensioneerde) deelnemers als de beleidsdekkingsgraad hoger is dan 110%. Voor het verlenen van indexatie gelden bovendien regels die betrekking hebben op de financiering van deze indexatie naar de toekomst, het zogenoemde toekomstigbestendig indexeren.

Zo werkt het transitie-ftk

Om te zorgen voor een soepele overgang naar het nieuwe pensioensysteem, ongeacht voor welk contract wordt gekozen, krijgen pensioenfondsen de mogelijkheid om gebruik te maken van het transitie-ftk. De achterliggende gedachte hierbij is voorkomen dat op grond van het huidige financiële kader maatregelen moeten worden doorgevoerd die onder de nieuwe wet- en regelgeving niet nodig zouden zijn. Het transitie-ftk, zoals dat tot nu toe bekend is, omvat aangepaste rekenregels voor het toetsen van de financiële positie van pensioenfondsen. In de conceptwetgeving, zoals die einde 2020 is gepubliceerd, golden deze aangepaste rekenregels voor de jaren 2022 tot en met 2026. Nu de invoering van de wetgeving een jaar vertraging heeft opgelopen, is de verwachting dat de aangepaste rekenregels gaan gelden voor de periode 2023 tot en met 2027.

Een pensioenfonds mag alleen gebruik maken van het transitie-ftk als invaren van de opgebouwde pensioenaanspraken- en rechten niet wordt uitgesloten. Het bestuur van het pensioenfonds dient te bepalen of toepassing van het transitie-ftk in het belang is van deelnemers, slapers en gepensioneerden. Hierbij dienen de belangen van alle partijen evenwichtig te worden afgewogen. Als een fonds besluit om gebruik te maken van het transitie-ftk, mag het bestuur besluiten eerder indexatie toe te kennen. Dit betekent onder andere dat gepensioneerde deelnemers eerder een hogere uitkering kunnen ontvangen.

Als een fonds gebruikmaakt van het transitie-ftk moet het jaarlijks een overbruggingsplan bij DNB indienen. Dit overbruggingsplan dient onder andere aan te tonen dat de dekkingsgraad ten minste gelijk is aan de richtdekkingsgraad op het moment van invaren, dus uiterlijk tot 2027. De richtdekkingsgraad is de dekkingsgraad die het fonds op de datum van invaren nodig heeft om de overstap naar het nieuwe premiesysteem verantwoord en evenwichtig te laten plaatsvinden. Voor een gemiddeld pensioenfonds is deze richtdekkingsgraad in de Memorie van Toelichting (MvT) vooralsnog berekend op 95%. De richtdekkingsgraad kan per fonds verschillen. Een jong fonds zal bijvoorbeeld een hogere richtdekkingsgraad hebben. De verplichting tot het indienen van een herstelplan (met een hersteltermijn van 10 jaar) komt te vervallen als gebruik wordt gemaakt van het transitie-ftk.

Aandachtspunten bij het bepalen van de keuze

De keuze voor het transitie-ftk lijkt in eerste instantie logisch omdat eerder kan en mag worden geïndexeerd. Voordat het bestuur van het pensioenfonds tot besluitvorming kan overgegaan zijn er echter zaken die nadere aandacht verdienen of nader onderzocht moeten worden. Aandachtspunten zijn bijvoorbeeld:

  • Wat zijn de effecten op de dekkingsgraad als gebruik wordt gemaakt van het transitie-ftk en hoe verhoudt zich dat tot de ontwikkeling van de dekkingsgraad bij continuering van het huidige FTK? Wat betekent dit voor de evenwichtige belangenafweging?
  • Het is belangrijk om de benodigde richtdekkingsgraad op het moment van invaren te schatten. Kan voor uw fonds worden uitgegaan van de 95% die in de MvT is benoemd of is deze voor uw fonds naar verwachting hoger? Deze richtdekkingsgraad is immers nodig voor een evenwichtige transitie op het moment van invaren.
  • Eerder indexeren kost geld en heeft dus tot gevolg dat de dekkingsgraad op het moment van invaren lager zal zijn, dan bij voortzetting van de huidige ftk-regels. De hoogte van de dekkingsgraad is van belang bij het invaren van de pensioenrechten naar het nieuwe pensioensysteem. Hierdoor zal de herverdeling tussen actieven, slapers en gepensioneerden anders kunnen uitpakken. Deze gevolgen zijn per fonds verschillend. Onderzocht dient te worden of hier geen groepen deelnemers onevenredig door worden bevoordeeld of benadeeld. Voor het bestuur van het pensioenfonds is het, in het kader van evenwichtige belangenafweging, daarom van belang dat inzichtelijk wordt gemaakt wat de gevolgen van het eerder indexeren zijn. Hierbij moeten ook de gevolgen op de herverdeling van het vermogen na invaren worden meegewogen.
  • Belangrijk is om inzichtelijk te hebben hoe de premie de komende jaren bijdraagt aan de financiële positie van het fonds. En om inzicht te krijgen in de relatie tussen de hoogte van de premiedekkingsgraad en het transitie-ftk, vooral in het kader van evenwichtige belangenafweging.
  • Het bestuur moet zich realiseren dat de kans op (onvoorwaardelijk) korten groter kan worden als gebruik wordt gemaakt van het transitie-ftk. Het fonds moet immers gedurende de periode tot invaren zorgen dat de richtdekkingsgraad wordt bereikt. Dit betekent dat de herstelperiode voor het opvangen van tegenvallers ieder jaar korter wordt. Dit zou kunnen betekenen dat bij een grote daling van de dekkingsgraad in bijvoorbeeld 2025 een korting noodzakelijk is, om de richtdekkingsgraad voor 1 januari 2027 te halen. Op grond van het huidige ftk is een dergelijke korting wellicht niet nodig, aangezien daarin rekening mag worden gehouden met een herstelplan met een hersteltermijn van 10 jaar. Als in deze situatie op 1 januari 2027 de richtdekkingsgraad niet is bereikt, moet het fonds alsnog een korting toepassen om een evenwichtige transitie te kunnen waarborgen.
  • Als op enig moment blijkt dat de opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten niet worden ingevaren, worden de rekenregels van het huidige ftk weer van kracht. Voor het bestuur van het pensioenfonds is het van belang dat de gevolgen hiervan op voorhand inzichtelijk worden gemaakt.

Het toepassen van het transitie-ftk is dus niet zonder meer de verstandigste keuze voor ieder fonds. Het bestuur moet op basis van doorrekeningen een zorgvuldige afweging maken van de belangen van actieven, slapers en gepensioneerden.

Ook het transitie-ftk is geen gratis lunch

De essentie van het transitie-ftk oogt sympathiek. Angelique Plekker, manager Actuariaat, adviseert pensioenfondsbestuurders in haar blog om niet over één nacht ijs te gaan.

Lees haar blog