De solidariteitsreserve als onderdeel van het nieuwe pensioenstelsel

In het nieuwe pensioenstelsel zijn voortaan alleen nog premieregelingen mogelijk. Sociale partners kunnen kiezen tussen twee type regelingen: de solidaire premieregeling en de verbeterde premieregeling. In beide regelingen is sprake van persoonlijke, voor de uitkering gereserveerde vermogens, maar blijven ook collectieve en solidaire elementen behouden. Een van deze elementen is de solidariteitsreserve. Deze reserve is een verplicht collectief element van de solidaire premieregeling. In de flexibele premieregeling wordt waarschijnlijk een ander type reserve geïntroduceerd (zie kader). Aangezien dit echter nog niet volgt uit de concept wetgeving beperken we ons nu tot de solidariteitsreserve. We brengen in kaart watdeze reserve precies inhoudt, wanneer en hoe deze mag worden toegepast en wie verantwoordelijk is voor de inrichting.

Aanvullend vermogen

De solidariteitsreserve is een aanvullend vermogen dat door het pensioenfonds wordt aangehouden bovenop de persoonlijke pensioenvermogens van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Samen met de persoonlijke pensioenvermogens vormt het dus het totale vermogen van het pensioenfonds. Uit de solidariteitsreserve kunnen pensioenuitkeringen en -vermogens worden aangevuld en kunnen risico’s worden gespreid, zowel in de tijd (over verschillende jaren/generaties) als over verschillende deelnemersgroepen. Risico’s die via de solidariteitsreserve gespreid kunnen worden zijn bijvoorbeeld het beleggingsrisico, maar ook het sterfte- en het arbeidsongeschiktheidsrisico.

Risicodelingsreserve

In de concept wetgeving zoals deze is gepubliceerd op 16 december 2020 was het ook in de flexibele premieregeling nog mogelijk een solidariteitsreserve te vormen, maar dan alleen voor verplicht gestelde bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen en dus bijvoorbeeld niet voor ondernemingspensioenfondsen. Op basis van uitingen in de media (zie bijvoorbeeld het artikel in Pensioen Pro van 22 september 2021) lijkt het er echter op dat in een volgende versie van de wetgeving de solidariteitsreserve in de flexibele premieregeling plaats zal maken voor een ander type reserve: de risicodelingsreserve.

Volgens deze berichtgeving zal de risicodelingsreserve door alle pensioenfondsen met een flexibele premieregeling aangehouden mogen worden. Een belangrijk verschil tussen beide reserves is dat via de risicodelingsreserve geen beleggingsrendementen herverdeeld mogen worden. Dit betekent dus dat de risicodelingsreserve niet gevuld mag worden met positieve beleggingsrendementen, maar ook niet aangesproken mag worden om negatieve rendementen te compenseren. De risicodelingsreserve zal dus dienen voor het delen van andere risico’s zoals bijvoorbeeld het sterfte- en/of arbeidsongeschiktheidsrisico.

Een ander verschil tussen beide type reserves betreft het beleggingsbeleid. In de solidaire premieregeling geldt één collectief beleggingsbeleid, waardoor de solidariteitsreserve ook volgens dit collectieve beleid belegd wordt en op deze manier meedeelt in de rendementen en risico’s. In de flexibele premieregeling is de risicodelingsreserve echter een afgescheiden vermogen met een eigen beleggingsmix.

Vul- en uitdeelregels

De solidariteitsreserve kan op verschillende manieren worden gevoed:

  • Bij het invaren van de bestaande aanspraken en rechten in de nieuwe regeling kan onder voorwaarden een deel van het vermogen eenmalig worden gebruikt om de solidariteitsreserve initieel mee te vullen;
  • De werkgever kan een eenmalige dotatie doen;
  • Jaarlijks mag een deel van de premie-inleg in de solidariteitsreserve worden gestort;
  • Jaarlijks mag een deel van het overrendement, mits positief, in de solidariteitsreserve worden gestort.

In de concept wetgeving zijn tot nu toe slechts enkele voorschriften vastgelegd waaraan de solidariteitsreserve moet voldoen:

  • Er geldt een wettelijke onder- en bovengrens, te weten 0% respectievelijk 15% van het totale vermogen.
  • Jaarlijks mag maximaal 10% van de premie-inleg en/of 10% van het collectieve overrendement, mits positief, aan de solidariteitsreserve worden gedoteerd.

Voor het overige is de wijze van vulling en uitdeling van de solidariteitsreserve vooralsnog vormvrij.

Verantwoordelijkheden sociale partners

Ten aanzien van de solidariteitsreserve dienen veel keuzes gemaakt te worden. Deze keuzes komen tot stand door een samenspel tussen sociale partners en het pensioenfonds. Allereerst geven sociale partners de doelstellingen mee die zij hebben bij de pensioenregeling en in het bijzonder ook bij de solidariteitsreserve. Naast algemene doelstellingen (intergenerationele risicodeling en stabiliteit pensioenen) kunnen zij hier nog andere specifieke doelen voor ogen hebben, bijvoorbeeld het delen van het sterfterisico en/of het arbeidsongeschiktheidsrisico. Voor sociale partners is het daarom zaak deze doelen zo specifiek en concreet mogelijk te benoemen.

Verantwoordelijkheden pensioenfonds

Vervolgens is het bestuur van het pensioenfonds verantwoordelijk voor de inrichting van de solidariteitsreserve. Het fonds legt in ieder geval de volgende zaken vast:

  • De manier waarop de reserve wordt gevuld (initieel via storting of deel van aanwezig vermogen en periodiek via premie en/of overrendement);
  • De manier waarop de solidariteitsreserve meedeelt in de collectieve rendementen en risico’s (beschermings- en overrendementen);
  • De situaties die leiden tot uitdelen van de reserve (bijvoorbeeld negatief overrendement of negatieve resultaten op sterfte en/of arbeidsongeschiktheid) en de manier waarop in deze gevallen de uitdeling plaats zal vinden;
  • De maximale omvang van de solidariteitsreserve;
  • Op welke manier de reserve bijdraagt aan de intergenerationele risicodeling en/of stabiliteit van de pensioenen;
  • De onderlinge consistentie van de verschillende onderdelen van de inrichting.

De afspraken voor de solidariteitsreserve dienen vooraf en voor een langere periode te worden vastgelegd. Dit voorkomt dat de middelen van de solidariteitsreserve uiteindelijk voor andere doeleinden worden ingezet dan vooraf beoogd.

Evenwichtigheid onderbouwen

Per pensioenfonds gaan besturen de inrichting van de solidariteitsreserve waarschijnlijk anders vormgeven. Dit kan bijvoorbeeld te maken hebben met de specifieke kenmerken van de pensioenfondspopulatie, maar ook kunnen per fonds andere ideeën en visies bestaan op het gebied van risicodeling en solidariteit in het algemeen.

De solidariteitsreserve moet echter wel in lijn is met de risicohouding van de deelnemers worden ingericht. Ook moetrecht worden gedaan aan de doelstellingen die sociale partners hebben meegegeven. Het pensioenfonds moet daarom de evenwichtigheid van de inrichting onderbouwen aan de hand van diverse analyses, inclusief onderscheid naar deelnemers van alle verschillende leeftijdscohorten. Verder dient de inrichting van de solidariteitsreserve bij fondsen met een belanghebbendenorgaan door dit orgaan te worden goedgekeurd. Bij fondsen met een verantwoordingsorgaan gaat het om een adviesrecht. Pensioenfondsbesturen moeten bij de inrichting van de solidariteitsreserve dus zorgvuldig te werk gaan. Ze moeten alle te maken keuzes onderbouwen en vastleggen, inclusief de afwegingen die daaraan vooraf zijn gegaan.